14 x verwarring over ‘Verbonden ondernemingen’

Corporatie / 11 januari 2018
Claudia Siewers
Claudia Siewers
Bestuurssecretaris, Woonbron

Verbonden ondernemingen. Of Verbindingen. Of Deelnemingen. Of Dochtermaatschappijen. Of Samenwerkingsvennootschappen. Of Woningvennootschappen. Ik had ook geen idee wat het was. Ik ben gaan graven. In dit artikel een tipje van de sluier.

De onderwerpen voor mijn blogs kies ik uit op dingen die mij bezig houden. Of waar ik vind dat er iets aan moet gebeuren. Mijn blog over het Aedes-model van het Financieel reglement leverde mij niet alleen positieve reacties op. Part of the game. Dit keer wat over ‘Verbonden ondernemingen’. Of misschien kan ik beter schrijven ‘Verboden ondernemingen’. De Woningwet heeft ons woningcorporaties meer gebracht dan een gewijzigd kader voor de Toegelaten Instelling. Voor het uitvoeren van hun taken, maken veel woningcorporaties gebruik van meerdere rechtspersonen. Die rechtspersonen heten in de terminologie van de nieuwe Woningwet ‘Verbonden ondernemingen’. Of Verbindingen. Of Deelnemingen. Of Dochtermaatschappijen. Of Samenwerkingsvennootschappen. Of Woningvennootschappen.

Waarom?

In de Memorie van Toelichting wordt aangegeven welk doel de extra vereisten hebben: “In artikel 2a van het BBSH is een definitie van de zogenoemde verbindingen opgenomen. Daaronder vallen dochtermaatschappijen en deelnemingen in de zin van Boek 2 van het BW, maar ook andere banden van uiteenlopende aard met andere ondernemingen. In het wetsvoorstel is deze definitie opgenomen in artikel 21, eerste lid. In dat artikel, en in artikel 52 van het wetsvoorstel, is een aantal bepalingen over verbindingen opgenomen.Gezien met name de wens om direct rijkstoezicht op een aantal verbindingen – in de bewoordingen van deze novelle «verbonden ondernemingen» – te kunnen uitoefenen, en om de werkzaamhedenvan verbindingen duidelijker te regelen, op zichzelf en in relatie tot de werkzaamheden van toegelaten instellingen, wordt voorgesteld de bepalingen over die ondernemingen ingrijpend te wijzigen.” Het gaat er dus om zicht te krijgen op de geldstromen van maatschappelijk bestemd kapitaal.

Waar?

Hoe kom je er nou achter wat er bedoeld is? Ik heb gezocht in de Memorie van Toelichting, de wettekst, BTiV, BBSH, RTIV en de toelichting op het Burgerlijk Wetboek. En? Na zoveel onderzoek zou je denken dat ik eruit was. Maar nee. Hoe meer je weet, hoe minder je weet, toch? Ik geef hieronder enkele van mijn bevindingen aan. Het gehele onderzoek kan je vinden in het Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie.

Verwarrring 1

Het begrip dochter in de Woningwet is niet hetzelfde als het begrip dochter in de Wet op de Vennootschapsbelasting. Iedere wet heeft een eigen kader en daarmee een eigen begrip. Het gebruik van hetzelfde woord in een andere betekenis is ongelukkig gekozen.

Verwarring 2

Van een dochteronderneming in de Woningwet is krachtens lid a sprake als de TI méér dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering kan uitoefenen. Een stichting heeft geen algemene vergadering en kan dus per definitie geen dochteronderneming zijn. In de bijlage van het RTIV wordt zelfs het woord dochterstichting gebruikt. Dat is een contradictio in terminis. Een kwalificatie als verbonden onderneming is het hoogst haalbare.

Verwarring 3

De Woningwet en het BTiV maken gebruik van de term ‘Verbonden onderneming’. In het BBSH werd de definitie ‘verbinding’ gebruikt. De nieuwe Woningwet gaat uit van de definitie ‘Verbonden onderneming’. Toch is het hetzelfde, ook al is de definitie iets anders. Er is geen enkele aanwijzing dat er inhoudelijk een andere definitie is beoogd.

Verwarring 4

Via de definitie van de ‘Verbonden onderneming’ wordt de definitie van de Deelneming geïntroduceerd. In de Woningwet worden geen extra eisen gesteld aan een deelneming anders dan via de definitie van ‘Verbonden onderneming’. Deze definitie heeft op dit moment daarom geen functie.

Verwarring 5

In bijlage 4 (accountantsprotocol) van RTIV is een uitwerking te vinden over ‘Verbonden ondernemingen’, specifiek over de definitie ‘duurzame band’: “Ten behoeve van het bepalen of er sprake is van een ‘duurzame band’ kan het volgende kader worden gehanteerd dat volgt uit de Woningwet, de memorie van toelichting, het BW en de jurisprudentie. Er is sprake van een duurzame band wanneer: – de toegelaten instelling stemrechten heeft in de algemene vergadering; – en/of wanneer er sprake is van een bestuurlijke band of financiële band, met dien verstande dat het uitsluitend verstrekken van financiering niet voldoende is om van een duurzame band te kunnen spreken; – en/of wanneer de duurzame band uit de statuten van de verbinding (bijvoorbeeld een dochterstichting) kan worden afgeleid; – en/of wanneer er sprake is van een duurzame band als bedoeld in artikel 2:24c lid 1 BW. Uit de memorie van toelichting op dat artikel kan worden afgeleid dat er een oogmerk moet bestaan om duurzaam verbonden te zijn. Hiermee wordt e.e.a. afgebakend ten opzichte van de “eenvoudige belegging”; – en/of wanneer er sprake is exclusieve invloed op de benoeming van het bestuur van de verbinding; – en/of wanneer er sprake is van bezit van 100% van de aandelen. Onder duurzame band wordt niet verstaan uitsluitend het hebben van een langdurige contractuele relatie.” De aanwijzing van het Ministerie over hoe de definitie moet worden uitgelegd is nuttig. Maar er is geen duidelijkheid in ‘Woningwet, de Memorie van toelichting, het BW en de jurisprudentie’. Sowieso procederen woningcorporaties niet vaak tegen het Ministerie of de Autoriteit Woningcorporaties, en nog minder vaak worden die uitspraken openbaar gemaakt. Uitleg van zo’n belangrijke bepaling in een bijlage van een Ministeriële Regeling vergroot de vindbaarheid ook al niet. Als gevolg van deze ruime uitleg is iedere vereniging waar een woningcorporatie lid van is een ‘Verbonden onderneming’. Zoals bijvoorbeeld het lidmaatschap van de vereniging Aedes. Dat betekent dat zelfs de aanvraag van een lidmaatschap moet worden goedgekeurd door de Autoriteit Woningcorporaties. Dat kan niet de bedoeling van de wetgever zijn.

Verwarring 6

De dienstverlening door woningcorporaties is in de Woningwet aan banden gelegd. Is een verbonden onderneming ook een derde? Als dat zo is, mag een woningcorporatie geen diensten verlenen aan een ‘Verbonden onderneming’. En mag een ‘Verbonden onderneming’ dan wel diensten verlenen aan een woningcorporatie?

Verwarring 7

Een ‘Verbonden onderneming’ is niet altijd een dochteronderneming, maar een dochteronderneming is wel altijd een ‘Verbonden onderneming’. Bij de wijziging van de Woningwet per 1 juli 2015 werd de definitie veranderd in ‘duurzame band’. Het is in de sector onduidelijk wanneer er sprake is van een duurzame band.

Verwarring 8

In het eerste ontwerp van het Aedes-model van het Financieel Reglement werd het verplicht om ‘Verbonden dochtermaatschappijen’ o.a. ook het Financieel Reglement op te leggen en het Treasurystatuut. Gelukkig is de wetgever hierop teruggekomen in de tweede nota van wijziging. Artikel 55a Woningwet verplicht in de voorgestelde tekst alleen nog ‘in te gaan’ op hun ‘Verbonden ondernemingen’. Maar ja, wat is dat?

Verwarring 9

Wat staat er in artikel 21? Door het gebrek aan overgangsrecht is de Woningwet in volle sterkte van toepassing. Mag er helemaal niets meer? Woningcorporaties zijn in het verleden namelijk wel verplichtingen aangegaan. En de kost gaat uit voor de baat. Reëeler zou zijn om een overgangsperiode op te nemen zodat er reële afbouw kan plaatsvinden.

Verwarring 10, 11, 12, 13 en 14

Wat is een ‘band’, zoals bijvoorbeeld: – bestuurlijke band (uit bijlage 4 RTIV); óf- financiële band (maar het verstrekken van financiering is niet voldoende) (uit bijlage 4 RTIV); óf- een duurzame band af te leiden uit de statuten (uit bijlage 4 RTIV); óf- duurzame band (als bedoeld in artikel 24c lid 1 BW); óf- oogmerk om duurzaam verbonden te zijn (uit artikel 2:24a BW)?

Conclusie: verwarring alom dus. Ik hoop op duidelijkheid!

Ook voorbereid zijn op de corporatie van de toekomst? Schrijf je in voor de trainingen en events van CorporatieNL.